Living in The Netherlands

Learning Dutch: Personal pronouns

Personal pronouns

subject direct object indirect object reflexive posessive
ik mij, me mij, me mij, me mijn
jij, je jou, je jou, je jou, je jouw, je
u u u zich uw
hij hem hem zich zijn
zij, ze haar haar zich haar
het het het zich zijn
wij, we ons ons ons ons, onze
jullie jullie jullie jullie, je jullie
zij, ze hen, ze hun, ze zich hun

Subjective pronouns

ik loop I walk
jij loopt you walk (informal, singular)
u loopt you walk (formal, singular or plural)
hij loopt he walks
zij loopt she walks
het loopt it walks
wij lopen we walk
jullie lopen you walk (informal, plural)
zij lopen they walk

Instead of jij, zij or wij we sometimes use je, ze or we. Usually, jij, zij and wij denote stress, or a comparison: Ze loopt op straat. (She walks on the road.) Zij loopt op straat, maar ik loop op de stoep. (She walks on the road, but I walk on the pavement.)

Objective pronouns

direct object indirect object
jij helpt mij you help me jij geeft mij een boek you give me a book
ik help jou I help you ik geef jou een boek I give you a book (informal, singular)
ik help u I help you ik geef u een boek I give you a book (formal, singular or plural)
jij helpt hem you help him jij geeft hem een boek you give him a book
jij helpt haar you help her jij geeft haar een boek you give her a book
jij helpt het you help it jij geeft het een boek you give it a book
jij helpt ons you help us jij geeft ons een boek you give us a book
ik help jullie I help you ik geef jullie een boek I give you a book (informal, plural)
jij helpt hen you help them jij geeft hun een boek you give them a book

Instead of mij and jou, you can also use me and je. Usually, mij and jou denote stress or a comparison: Ik mis je. (I miss you.) Ik mis jou ook. (I miss you too.) Similarly, ze sometimes replaces hen and hun.

The only difference between the personal pronouns used as direct or indirect object is hen and hun. Most Dutch people don't get it right and use hun when they mean hen: You may do the same.

Reflexive pronouns

ik was me I wash myself
jij wast je you wash yourself (informal, singular)
u wast zich you wash yourself (formal, singular or plural)
hij wast zich he washes himself
zij wast zich she washes herself
het wast zich it washes itself
wij wassen ons we wash ourselves
jullie wassen je you wash yourselves (informal, plural)
zij wassen zich they wash themselves

To denote stress or a comparison, we use mij, jou and jullie instead of me, je (singular) and je (plural).

Posessive pronouns

mijn boek my boek
jouw boek your book (informal, singular)
uw boek your book (formal, singular or plural)
zijn boek his book
haar boek her book
ons boek our book onze zoon our son
jullie boek your book (informal, plural)
hun boek their book

Instead of jouw, you may also use je. Usually, jouw is used to denote stress or a comparison: Hier is je boek. (Here is your book.) Dit is niet jouw boek maar mijn boek. (This is not your book but my book.)

For de-words and plurals, use onze (de zoon, onze zoon, onze zoons), for het-words, use ons (het boek, ons boek, but onze boeken).

Posessive pronouns are usually used as adjectives in Dutch. A construction like the book is mine is uncommon in Dutch, we would use van and a direct object: het boek is van mij.


Tourist attractions
Money matters
Learning Dutch
Living in The Netherlands
Book section