Gedichten van geboorte en dood

Jan Baptista Wellekens: Lijkzang, over mijn jongste zoontje

vorige volgende

Lijkzang, over mijn jongste zoontje

Waar is Michieltje, ons jongste kind,
van ons zo lief, zo teêr bemind,
dat altijd Moeder! Moeder! riep,
en als een roos zo zacht in Moeders armen sliep?
 
Waar is hij, die zo vrolijk zong,
en danste, en als een hertje sprong
van 's morgens vroeg tot 's avonds laat,
en nooit van bezigheid of leerlust was verzaad?
 
Dan tjilpte 't musje op zijnen duim,
dan vloog de gouwe tor in 't ruim.
Zijn dieren, ruiters, zij aan zij,
en jagers schikte hij, als in een schilderij.
 
Dan sneed hij geestig met de scheer,
of kwam met pluim en zijgeweer,
wanneer hij Gijsbrechts1) hoofdrol speelt,
en, met een deftigheid, dien groten man verbeeld.
 
Maar ach! d'Aartsengel Gabriël
was nu zijn rol in 't naaste spel,
met vleugeltjes, in 't wit gewaad:
Verborgen voorbediet van zijn aanstaanden staat!
 
Doch 't was altijd geen kinderwerk,
hij sloeg zijn oogjens op naar 't zwerk,
en zag de sterren, zon en maan,
en vroeg hun naar hunnen aard, en op en ondergaan.
 
Of leerde uit zijnen boek, vol prent,
den Bijbel van 't begin tot 't end,
hij kon en leid hem andren uit:
Dan schold hij Judas, dan Pilatus voor een guit.
 
De Godsvrucht had hij vroeg in 't oog,
die naar de kerk zo ijvrig vloog,
en bad om Vaders zegening,
welk hij, met eerbied en aandachtigheid, ontving.
 
Wat sprak hij toen zijn kracht bezweek?
Geen taal die kinderlijk geleek,
maar bad, als David in zijn boet,
met een bedaarden geest en stil en rijp gemoed.
 
"Ik was mijn bed met mijn getraan!
't Licht van mijn ogen is vergaan!
Ontferm u mij, o lieve Heer!
'k Verlang om God te zien, dit is al mijn begeer."
 
Toen elk vast weende om zijn verdriet,
riep hij: Ei, Moeder, schrei toch niet.
Geduldig in zijn grote smart,
ging hem haar droefheid, meer als eigen leed, aan 't hart.
 
Dus smolt zijn adem in de lucht.
Hij liet niet een benauwde zucht,
maar, wel te vreden met zijn lot,
vloog, als een Engeltje, met open armen naar God.
 
O bloempje! net van zeven jaar.
Al valt u afzijn ons nu zwaar,
wij zien u van den steel gerukt,
eer u onze aardse ellende en bittre rampspoed drukt.
 
De wereld, met haar fals venijn,
zal u niet tot een lokaas zijn,
noch helse slang schiet naar uw hiel,
maar uw onnozelheid schonk God een zuivre ziel.
 
Daar juicht gij nu in 't eeuwig licht,
en ziet uw Scheppers aangezicht,
waar naar uw hart zo was belust,
en leeft nu, zonder zorg, in endeloze rust.
 
'k Weet, kind, gij uw beloft houd,
dat gij voor ons ook bidden zoudt
tot wij u alle volgen na,
en zingen, blij met u, uw versje: Gloria!
 
1) Gijsbrecht van Amstel, door kinderen verbeeld.





Home

Gedichten van geboorte en dood
Tien gedichten van H. Marsman
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Sitemap
Gastenboek