Gedichten van geboorte en dood

Bernard ter Haar: Het laatst vaarwel

vorige volgende

Het laatst vaarwel

De zoon aan zijn ontslapen vader

Het laatst Vaarwel. Bij den dood van mijn' dierbaren en onvergetelijken Vader Barend ter Haar, ontslapen 11 Julij 1828.

Een Engel leidde hem uit de gevangenis.
Laatste woorden des ontslapenen

Vader, is 't geen droom, is 't waar:
Zijt gij van ons weggevaren?
Zeg ons, die ten Hemel staren,
dierbre Vader, zijt gij daar?
Zeg ons, die om 't graf ons scharen:
Sloot gij de oogen eeuwig digt?
Kondt ge uw bleek-bestorven lippen
dan geen heilgroet doen ontglippen,
tot uw weenend kroost gerigt?
Zaagt ge ons niet ons zamenprangen
om het laatst vaarwel te ontvangen?
Gingt gij zonder afscheid heen?
Later, Vader, komt er geen! -
Hadt gij dan uw lievelingen
niet zoo lief meer hier beneên?
Zaagt ge ons niet uw sponde omringen?
Kondt ge uw vlotten ademtogt
op de lippen niet weêrhouën,
tot het Moeder kon aanschouwen
en ge uw kindren zeegnen mogt? -
 
Vader, o vergeef dat vragen
en dien wilden kreet der smart:
God vergeeft ons zelf het klagen,
daar we een Vader weg zien dragen,
afgescheurd van 't kinderhart.
Wis, toen wij u sterven zagen,
dacht gij aan uw droef gezin,
maar gij sliept den doodslaap in,
zonder ons te hooren schreijen,
want de dood, die u beving,
was een kalme sluimering,
die u 't hoofd deed nedervleijen,
die een zoeten droom u schiep,
tot de harp der Hemellingen
uit dien slaap u wakker riep:
Wis, nog zaagt ge uit hooger kringen
zeegnend op uw kindren neêr,
doch gij vondt geen sterfbed meer,
maar in de Englen, die u wachtten
en u juichend overbragten,
vroeg verloren telgen weêr.
 
Zalig, Vader, moest het wezen,
toen ge, onsterflijk weêr verrezen,
al uw dierbren wedervondt!
Toen die Engel voor u stond,
die bij 't sterven u verbeidde,
d'aardschen kerker uitgeleidde,
en uw kluisters hier verbrak;
en met u in 't licht gestegen,
dáár de kroon, door u verkregen,
u lofzingend tegenstak,
en u als verwinnaar roemde,
en verrukt u Vader noemde
en van 't zalig weêrzien sprak! -
 
Vader! 't Was bij uw verscheiden,
of ik ook dien Engel zag,
die uw kindren, toen zij schreiden,
troostte door een hemellach;
't was of hij, reeds ver van de aarde,
't oor nog wendde naar 't geklag,
en meêdoogend op ons staarde,
en, terwijl hij statig rees,
op uw stoflijk hulsel wees;
't was of hij die taal deed hooren:
"'t Is de schelp, de parel niet;
in 't onmeetlijk Godsgebied
gaat geen parel ooit verloren!"
En toen ijlings de aard verliet.
 
Als wij zóó uw heilstaat gissen,
dierbre! ja, dan valt het ligt,
weêr de wangen droog te wisschen,
met den blik omhoog gerigt;
doch wanneer we u, Zaalge! missen,
waar we op de aarde onze oogen slaan,
ach, dan blijft een teedre traan,
die niet ligt valt weg te wisschen,
in ons oog gezwollen staan!
Ziet gij soms uit hooger sferen
zóó uw gade en kindren aan:
't zal uw hemelvreugd niet deren,
dat ge ons diep bewogen ziet,
want uw gade en uw kindren weenen,
starend op een blij hereenen,
Vader, zonder hope niet!
 
Neen! Ik weet en blijf gelooven:
(zaalge nagedachtenis!)
dat bij de Englen Gods daar boven
thans uw geest verheerlijkt is;
dat, hoe hoog van de aard verheven,
't oord, waarin gij rond moogt zweven,
in Gods ruime schepping drijft,
gij ook dáár mijn Vader blijft;
dat gij wenscht mij dáár te ontmoeten,
waar gij 't eeuwig licht moogt groeten,
en bij elken zwaai van 't lot
voor mij bidden zult tot God;
dat uw liefde, als gij onsterflijk,
eeuwig duurt en onverderflijk,
en ge u dubbel zalig vindt,
zoo mijn deugd een bloesem wint.
 
Vader! 'k heb nog ééne bede,
hoor die bede van uw kind,
dat met heel de ziel u mint;
neem die zucht ten Hemel mede,
neem ze voor den laatsten groet,
dien uw zoon van de aarde u doet:
Bid, dat Gods genâ moog' geven,
dat me uw beeldtnis in dit leven
als een Engel blijve omzweven,
die mijn tred voor wanklen hoed';
dat ik zóó met ziel en zinnen,
met uw vroonheid van gemoed,
God mag vreezen, God beminnen,
om eens stervend te overwinnen,
en te ontslapen even zacht; -
en wanneer die ure ons wacht,
wees dan de Engel, die ons allen
de aardsche kluisters af doet vallen,
en ons 't "welkom" tegenlacht!
 
Amen, Vader! 't Is gezongen -
't lied van weemoed, 't lied der hoop!
'k Heb den traan niet weggedrongen,
die, aan 't brandend oog ontsprongen,
bij dat zingen nedersloop;
wat ge stervend hadt bedongen,
Vader! ook de laatste pligt
is aan 't dierbaar stof verrigt;
want uw kindren, in dit leven
Moeder nog tot troost gebleven,
hebben, luistrend naar uw woord,
ginds aan de aarde weêrgegeven
wat aan de aarde toebehoort:
't Rust dáár zacht in kalme dreven,
waar de zee de stranden kust1),
als het beeld der zaalge rust,
of, als hoog haar golven zweven,
en zij in haar volheid bruist,
God en eeuwig leven ruischt; -
waar de breede kruin der linden,
zacht doorschuifeld van de winden,
ons voorspellend tegensuist,
dat wij eens u wedervinden; -
waar in 't gras de mosroos bloeit,
die reeds blaadren heeft verloren,
en er tusschen zerken groeit; -
waar 't bedauwde glinstrend koren,
dat in de aard gestorven is,
weêr ontsprongen aan de voren,
't beeld wordt der verrijzenis; -
waar de zon bij 't avondgloren,
als zij kalm in 't westen daalt,
ons uw zalig sterven maalt; -
of, wanneer ze aan de ochtendkimmen
weêr haar vuurbol op doet klimmen
en met voller glansen praalt,
ons gelijk de kroon des levens,
waar geene aardsche kroon bij haalt,
van omhoog in de oogen straalt;
waar ze in 't vrolijk opgaan tevens
troostvol licht op 't graf verspreidt,
als de hoop der zaligheid.
 
Slaap dáár naast ontslapen vromen,
eeuwig onvergeetbare asch!
'k Zal er vaak in beêvaart komen,
om van zaalger tijd te droomen,
toen uw beeld de spiegel was,
waar ik 't schoon der deugd in las:
Slaap dáár, tot het licht zal stroomen!
Slaap er rustig neêrgestrekt,
tot de wekbazuin zal klinken,
die den dood in 't graf doet zinken;
tot het morgenrood zal blinken,
dat van de aarde 't rouwkleed trekt!
Slaap dáár rustig in Gods akker,
van uw kindren toegedekt! -
 
Maak al wie hier slapen wakker,
Engel, die Gods dooden wekt!

1)'t Rust dáár zacht in kalme dreven,
waar de zee de stranden kust.

Velen mijner Lezers zullen in deze beschrijving het kerkhof te Muiderberg herkend hebben, waar, nevens het overschot mijns Vaders, ook dat mijner Moeder en van andere geliefde afgestorvenen rust.






Home

Gedichten van geboorte en dood
Tien gedichten van H. Marsman
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Sitemap
Gastenboek