Uitvaart van mijn dochtertje
De felle Dood, die nu geen wit mag zien, verschoont de grijze liên. Zij zit omhoog en mikt met haren schicht op het onnozel wicht, en lacht, wanneer in 't scheien de droeve moeders schreien. Zij zag er een dat, wuft en onbestuurd, de vreugd was van de buurt, en vlug ter voet in 't slingertouwtje sprong; of zoet 'Fiane' zong en huppelde in het reitje, om 't lieve lodderijtje; of dreef, gevolgd door enen wakk'ren troep, de rinkelende hoep de straten door, of schaterde op een schop; of speelde met de pop, het voorspel van de dagen die de eerste vreugd verjagen; of onderhield met bikkel en bonket de kinderlijke wet, en rolde en greep, op 't springend elpenbeen, de beentjes van de steen, en had dat zoete leven om geld noch goed gegeven. Maar wat gebeurt? Terwijl het zich vermaakt, zo wordt het hart geraakt (dat speelziek hart) door enen scherpen flits, te dood'lijk en te bits. De Dood kwam op de lippen en 't zieltje zelf ging glippen. Toen stond (helaas!) de jammerende schaar met tranen om de baar, en kermde nog op 't lijk van haar gespeel, en wenste lot en deel te hebben met haar kaartje en dood te zijn als Saartje. De speelnoot vlocht (toen 't anders niet mocht zijn) een krans van rosmarijn, ter liefde van haar beste kameraad. O kranke troost! Wat baat de groene en gouden lover? Die staatsie gaat haast over.
