Gedichten van geboorte en dood

Bernard ter Haar: Voor bedroefden

vorige volgende

Voor bedroefden

Aan de treurende betrekkingen eens dierbaren overledenen gewijd.

Neen, Droeven! wischt dien traan niet droog,
die bevend opwelt in uw oog,
en ligt te paarlen op uw wangen;
als ge op het somber rouwgewaad,
door u vol weemoed omgehangen,
de moêgeweende blikken slaat!
 
O weent vrij uit! Die tranenvloed
is als de dauw des hemels goed,
in zoelen zomernacht geboren,
die 't smachtend bloempje laaft en drenkt,
dat band en steunsel had verloren,
en 't dorrend kruid verkoeling schenkt.
 
Heeft Jezus niet bij 't grafgesteent
eens dierbren vriends op aard geweend? -
En zoudt gij, droeven! dan niet klagen,
nu ge op een open grafkuil staart,
en op de lijkbaar weg zaagt dragen,
die u het dierbaarst was op de aard?
 
Weent uit! Te lang reeds bleef die traan
in 't brandend oog verscholen staan,
zoo lang één lichtstraal was gebleven,
toen ge aan zijn sponde roerloos zat,
de hand des doods ziende opgeheven,
maar nog tot God om redding badt.
 
Thans leî hij 't hoofd tot slapen neêr,
thans hoort hij 't droef geklag niet meer,
geen zucht meer langs de wanden suizen;
en 't statig rollend tempellied
moog' weêr langs zerk en wulfsels ruischen -
het wekt hem uit zijn sluimer niet.
 
Ziet! de aarde rust en slaapt als hij,
natuur kleedt zich in rouw als gij;
de hemel van een floers omtrokken,
den geeselslag van 't Noorden moê,
strooit de aarde weenend vol van vlokken,
en dekt haar met een lijkkleed toe.
 
Haar prachtvol schoon had uitgebloeid;
haar laatste vonk was doorgegloeid,
en is voor 't snerpend Noord verstorven; -
maar wat haar vruchtbre grond ontsloot,
is zaâmgetast in zwangre korven -
zóó bleef zij weldoen na haar dood.
 
Ook hij sliep zóó den doodslaap in,
het hoofd, de kroon van 't rijk gezin;
te vroeg ontrukt aan kroost en gade;
die, als hij 't oog naar boven sloeg,
op 't krankbed nog van Gods genade
om troost voor gade en kindren vroeg.
 
Hij zelf was de aardsche leerschool moê,
de Hemel blonk hem zaalger toe,
en hield hem hooger palmen tegen;
ook hij had hier zijn taak volbragt:
Zijn zomer was hier rijk in zegen,
en de oogst - wordt boven ingewacht!
 
Toen vleide hij het hoofd ter rust,
door u voor 't laatst vaarwel gekust;
toen is hem 't scheemrend oog gebroken; -
één Engel daalde zwijgend neêr
en heeft hem de oogen toegeloken:
Twéé Englen keerden juichend weêr.
 
O, zoo uw blik hem naar omhoog
kon volgen door den starrenboog,
waar zaalgen hem het "welkom" brengen;
zaagt gij de kroon, die ginds hem beidt -
gij zoudt geen traan van rouw meer plengen,
maar weendet licht van zaligheid!
 
Wèl hem, wie om zijn dooden treurt,
maar 't oog van 't stof der graven beurt,
voor wien de Hemel wint in waarde;
wèl hem, wiens graf tot opschrift heeft:
"Hier slaapt wiens sterven rouw op de aarde
maar blijdschap in den Hemel geeft!"
 
Neen! Droeven, wischt uw oog niet af!
Gij draagt nog pelgrimskleed en staf,
hij feestgewaad en zegepalmen!
Als ge eens uw Dierbre wederziet,
stemt ge in zijn blijde hemelgalmen;
dat kunnen wij op aarde niet!
 
Hier overwolkt een traan ons oog;
ons gaat der zaalgen vreugd te hoog,
om 't feest te vieren van hun krooning;
maar knielend bid ik op zijn graf:
Zend, Hemel! in zijn aardsche woning
uw Engel der vertroosting af!

Voor Bedroefden. Aan dit stukjen, oorspronkelijk voor de nagelatene betrekkingen van mijn' waardigen Behuwdvader, den Heer H. van Woudenberg, in leven Predikant te 's-Gravenhage, bestemd, heb ik hier, door het eenigzins te bekorten en te veranderen, eene nog algemeener strekking trachten te geven.






Home

Gedichten van geboorte en dood
Tien gedichten van H. Marsman
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Sitemap
Gastenboek