Gedichten van geboorte en dood

Joannes le Francq van Berkhey: Aan mijnen kleinzoon

vorige volgende

Aan mijnen kleinzoon

Aan mijnen kleinzoon Dirk van Nier Hoefman en deszelfs echtgenoote bij het afsterven van hun jonggeboren zoontje, dat naar mij als overgrootvader stond genoemd te worden.

Geen Huwlijkskroon met rozen praalt,
die aan den dood geen tol betaalt;
geen bloembouquetjes, geen festoenen,
waaraan geen lijkcipressen groenen;
geen zilvr' of gouden Bruiloftsdag,
die niet een telg verdorren zag.
Troost u dan, dat gij 't eerste leven
uws zuigelings aan 't graf moet geven,
daar die voor wieg en bakermat
een doodkist tot zijn bedspond had,
waarin het zachtjes ligt te slapen,
om namaals weêr te zijn herschapen;
en wacht dan bij dat treurig graf,
bij 't levend kroost uw troost weêr af.
De doopvont deed, bij 't kinderdoopen,
mij op Grootvaders stamnaam hopen,
maar hier bleek de ijdelheid ook in
van menschlijkheid en eigenmin.
God geeft, God neemt, naar zijnen wille
en ons begrip zwijgt hier voor stille.
't Is alles heilig, veilig, goed,
hetgeen den mensch op aarde ontmoet;
in alles beide in dood en leven
moet zich de mensch Gode overgeven.
Zijn wij dan 't lieve wichtje kwijt,
dankt God, dat ik en gij nog zijt,
om aan de ons overige panden,
de sieraân onzer huwlijksbanden,
te toonen, hoe al, wat 'er leeft
in Hem een' Hemelvader heeft;
die is en uwe en mijne Vader,
ons aller God en levensader.





Home

Gedichten van geboorte en dood
Tien gedichten van H. Marsman
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Sitemap
Gastenboek