Gedichten van geboorte en dood

H. Marsman: Drie verzen voor een dode

vorige volgende

Drie verzen voor een dode

1

De avond daalt;
er valt een vage schemer.
Ik zoek den vrede dien de dag mij nam;
en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden
naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven
berooid en eenzaam iedren avond kwam.
 
Waarom? Ik weet te goed dat ik u niet kan wekken
en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;
dat ik aan dezen steen niets kan onttrekken
van uwen staat van ongenaakbaarheid.
 
Doden zijn ver en koud en dichters eenzaam,
maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing
en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;
zegen - en vloek der verhovaardiging.
 
Schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;
bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,
opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten
niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.

2

Een middag blind van zon, bloemen en dieren
rekken en wentlen zich in het verblindend licht.
Over de heuvelen aan d' einder der rivieren
koepelt en straalt een blinkend vergezicht.
 
Maar hier, achter een koel en lieflijk glinstrend water,
waaraan het middaglicht een groene schaduw gaf
liggen de doden zij aan zij in de geschroeide aarde;
een dezer stenen dekt uw jonge graf.
 
Misschien - denk ik - misschien zullen wij later
als engelen met heerlijkheid bekleed
tezamen klinken, in hetzelfde water
twee golven klinkend tot in eeuwigheid.
 
Wij zullen vredig dwalen door de bloemen
ontdaan van hartstocht en van schuld bevrijd
in argeloosheid en een niet te noemen
zwevende, zwevende gelukzaligheid.
 
Maar waartoe vóór mijn dood dit heil te roemen?
Ik ben een prooi der wisselvalligheid:
soms zoek ik vrede, soms is het zwartst verdoemen
mij liever dan uw blanke zaligheid.
 
Zo nu. - Waarom verrijst gij niet? Ik kan
bij zulk een zon den dood niet lang gedenken;
sta op; opdat ik u een heerlijkheid kan schenken
heller en lieflijker dan uw onsterflijkheid!

3

Soms, dwalend over heuvels, hoor ik uwe stem.
Meestal op stille ongerepte plekken
waar de natuur nog iets gevangen houdt
van haar vóormenselijke zuiverheid.
Soms aan een water, soms ook in het woud.
Maar op de rotsen met de zachte wieren
die onweerstaanbaar aan uw haar doen denken
vrees ik u telkenmale te gaan herkennen
in de gedaante van een vluchtend hert.
 
Maar waartoe kwelt gij mij? Gij weet
dat ik nog niet tot sterven ben bereid;
ik kan geen afstand doen, noch van mijzelven
noch van mijn wrevel en opstandigheid.
 
Misschien ben ik verdoemd; Wanneer reeds nu de dood
mij plotseling in den rug zou overvallen
zou ik niet, stervend met de honderdtallen,
neerstorten in de Poelen, heet en rond?
 
En daar; juist daar, een prooi der helse koren,
vervolgt mij nog het hemelse verwijt van uwe stem,
een lieflijk lied, verschrik'lijk om te horen -
o, klinkende bazuin van 't nieuw Jeruzalem.


Op zoek naar een troostwoord?



Home

Gedichten van geboorte en dood
Tien gedichten van H. Marsman
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Sitemap
Gastenboek